Comenius: Mobile Identities (werkbezoek in Merano)
Van zaterdag 28 november tot en met woensdag 2 december verbleven Jo de Backer en Karel De Sadeleer in Merano om er, samen met hun Italiaanse, Zweedse en Tsjechische collega’s, de volgende stap te zetten in het huidige Comeniusproject waaraan de leerlingen van het zesde jaar meewerken. Hieronder kan de lezer het verslag lezen van hun uitstap.
Dag 1: RIJDEN (x 1064) Bij aankomst worden we vergast op een succulent meergangendiner bij Francesco, de tweetalige Italiaan - hij praat Italiaans en lichaams. (Dat laatste is hij beroepsmatig verplicht: als leerkracht LO kan hij het niet maken de lichaamstaal niet te beheersen.) Dank, Francesco.
Dag 2: (Moeder verjaart. De heilige vrouw wordt 52. Juicht!) Jo heeft goed geslapen vannacht.
De dag wordt opgewarmd met een wandeling in een gespleten stad, waar Koning Kerstsfeer regeert. Zijn Tiroolse troepen paraderen over de promenade langs de Passirio. (Ze zijn gedrild om hun soldij aan smakeloos groen, rood en goud te verspillen.) Merano lijkt wel vacuüm verpakt van een berg te zijn gerold - wie het hier laten liggen heeft, voelde er waarschijnlijk weinig voor om de ongelofelijke leegte uit te pakken, bang om later bij de vrienden uit te pakken met de ondraaglijke leegte.
De stad zoals ze er nu bij ligt, is verdeeld in twee (redelijk) vijandige kampen. Het Italiaanse kampt leeft op zijn eigen, teruggetrokken manier: oppervlakkig en arrogant, op het gemene af. Het Duitstalige kamp heeft zich verschanst in een onopvallende, maar lucide spiegelwereld. Duitstaligen lijken wereldser, opener, georiënteerd op het Europa van de toekomst, alhoewel de kranige politieke partij die ijvert voor de rechten van haar leden, sterk separatistisch geïnpireerd is. (Ze pakt uit met posters waarop de Val van de Muur een ultieme vrijheid verbeeldt, een vrijheid die voor de Duitstaligen hierals streefdoel wordt vooropgesteld. Dat er daardoor onbewust/onbedoeld een nieuwe muur wordt opgetrokken, deert hen bijlange niet.)
Vanuit een psychologisch perspectief kan dat onderscheid tussen de twee verschillende taalgemeenschappen verklaard worden als een veruitwendiging van een oeroud Italiaans stereotype: de Italiaan als superficiële macho die de schone schijn hoger inschat dan openlijke en oprechte zelfkritiek. (Als voorbeeld daarvan kan het werk worden aangehaald dat de Italiaanse leerlingen in het kader van ons project vervaardigd hebben: zij geven zich niet bloot - alles blijft hier comfortabel, men probeert niemand met iets te confronteren.) Daartegenover staat een bijna subversieve openheid van de Duitstaligen, die er een warm genoegen lijken in te scheppen hun (alvast taalkundige) superioriteit bevestigd te zien in een ontvankelijkheid voor de wereld buiten Italië. In die zin is hun separatisme misschien eerder een anti-Italianisme dan een peer nationalistische reflex.
Op de bergflanken rondom de stad, vanwaar blijkt dat Merano op een zondag zo leeg is als toen de aarde haar eerste verjaardag vierde, worden we opgeladen voor het werk dat in de namiddag gepland is. Er groeien kaki en Chinese mandarijnen op ons pad. (Een Chinese mandarijn die zijn doornige nest verlaat, leeft doorgaans niet langer dan vijf dagen. Het rottingsproces zet zich al in op dag twee en op dag vijf is hij veranderd in een melaats onwezen.)
’s Middags eten we in een trage gelegenheid. Daarna volgt een vergadering in het krappe appartement van de Italiaanse gastvrouw. Loom komt de aap daar een eerste keer uit de mouw (of, om in de sfeer te blijven: uit de broekspijp van Pantalone): de Italiaanse delegatie is niet alleen qua taalvaardigheid minderbedeeld, het ontbreekt haar ook aan tact en inzicht in andere sociale conventies (zoals koffie en koekjes). Zonder veel stemmingmakerij wordt de vergadering afgerond maar het is vandaag duidelijk geworden dat de Süd-Tiroler school een broertje dood heeft aan al te veel moeite.
’s Avonds wordt er gegeten met de directeur van de school, een neofiet van de vrijgevige soort. Onze Zweedse vriend Stefan slaagt erin een varken naar binnen te spelen.
Dag 3: bezoek aan de Scuola Pedagogica di Merano. Het gebouw overweldigt: de autonome regio Süd-Tirol kan het zich veroorloven zoet geld in het onderwijs te pompen en dat laat zich zien in de faciliteiten waarover de leerkrachten en de leerlingen hier beschikken. Niet alleen zal men nooit ruimte ontberen (3 sportzalen, 1 filmzaal, verschillende auditoria, flink uitgeruste klaslokalen, aparte vaklokalen, …), ook aan het materiaal en de voorzieningen kleeft de geur van het zweet dat door de toeristische industrie in deze streek wordt geplengd.
Tijdens de workshop van de Zweedse collega’s wordt vlot meegewerkt door de leerlingen: ze praten graag met elkaar, zelfs in het Engels, wat verwonderlijk is aangezien we waren gewaarschuwd dat het Engels van de leerlingen beneden alle peil lag. (Er bestaat op dit moment weinig twijfel over dat de weinig hoopvolle berichtgeving over hun taalniveau, ons ingefluisterd door hun taalleerkrachten, grotendeels het gevolg is van het conservatieve onbegrip waarmee zowel het Engels, het taalonderwijs als de leerlingen worden bejegend.)
Na de middag wordt een tweede maal vergaderd, waarbij de vooropgestelde doelen op een vrij bevredigende manier bereikt worden. Het is opnieuw overduidelijk dat de Italiaanse collega’s weinig begrepen hebben van de voorgaande ontmoetingen, in die zin dat ze er opnieuw niet in slagen de vergaderingen op een degelijke manier te volgen, noch om voor een zinnige inbreng te zorgen. Wel zinnig, en veelzeggend, is de ontmoeting die we die avond hebben met de leerlingen uit de workshops. We eten samen in een pizzeria en proberen het beste naar boven te halen uit elkaar: interesses, indrukken van Merano, interesses, … Anders dan wat hun leerkrachten beweerden, zijn deze jongeren bereid Engels te praten, ook al moeten ze vaak terugvallen op hun moedertaal, en lijken ze zelfs bijna op hun gemak te zijn bij ons.
Dag 4: Bergitalianen zijn een volk zonder horizon, letterlijk en figuurlijk. Dat verklaart natuurlijk hun bekrompenheid. Ze zien niets dan wat zich afspeelt in hun door bergen omzoomde leefwereld. Besef of begrip van de buitenwereld is een zeldzaamheid, een unicum in deze van commercie en toerisme versmoorde regio. Het grote voordeel van die rijkdom voor de jonge Zuid-Tirolers is de enorm brede waaier aan ontlplooiingsmogelijkheden die hen wordt aangereikt. Door de eigenaardigheden van het Italiaanse onderijw (conservatief en corrupt - in private scholen draait men de hand niet om voor fraude) wordt hen bovendien weinig in de weg gelegd, behalve een ouderwetse etiquette wanneer het erop aankomt ouderen of leerkrachten aan te spreken. Hier is sprake van een volgehouden en doorgedreven hiërarchie, wat er niet alleen voor zorgt dat de leerlingen zich vooral moeten voegen, maar ook dat de leerkrachten zich te gemakkelijk distantiëren van de ervaringen en visies van hun leerlingen.
Wie hier woont, leert zich terug te plooien: binnen de eigen gemeenschap, binnen de eigen taal, binnen de eigen opvattingen. Zelfs in het Museion (museum voor hedendaagse kunst waar Jo en Karel aanwaaien op de laatste dag van hun verblijf) is er opvallend veel ruimte voor lokale kunstenaars. (Daar is an sich niets mis mee, maar het wijst ook op een kortzichtige visie.) Ze hebben allen de fotografie ontdekt en dat levert zowel slecht, middelmatig als amusant en geïnspireerd werk op. Ook al is de blik hier nog steeds op Zuid-Tirol gericht, toch komt deze plek het dichts bij de geruststelling dat in een kunst een mondiaal perspectief wordt geopend waardoor een halfblinde, teruggetrokken regio niet helemaal verdwijnt in zijn eigen zwarte gat.
Zo kan alles altijd op een positieve noot eindigen. Het project staat (nog steeds, en misschien zelfs steviger dan ooit) op de rails, Jo en Karel hebben een en ander bijgeleerd over de fouten in het Italiaanse onderwijssysteem en we hebben onze lieve internationale vrienden nog eens mogen ontmoeten.
Dag 5: RIJDEN (x 1064)







